Geschiedenis van het voormalig Joego-SlaviŽ

BosniŽ

Oppervlakte: 51.129 km2
Aantal inwoners: 4.383.000
Hoofdstad: Sarajevo
Levensverwachting: 73 jaar
Belangrijkste bron van inkomsten: mijnbouw en landbouw
Inkomen per hoofd van de bevolking: $1600 per jaar

Geschiedenis

BosniŽ-Herzegovina was tot 1992 een deelrepubliek van het voormalige JoegoslaviŽ. Het verklaarde zich in april 1992, in navolging van SloveniŽ en KroatiŽ onafhankelijk. Het Servische deel van de bevolking trachtte dit te verhinderen en startte met steun vanuit Belgrado een burgeroorlog. In de periode 1992 - oktober 1995 werd er zware strijd geleverd tussen enerzijds de Bosnische ServiŽrs tegenover de Moslim en Kroatische bevolkingsgroepen en anderzijds onderling tussen Moslims en Kroaten. De hoofdstad Sarajevo beleefde een omsingeling en dagelijkse bombardementen gedurende de hele oorlogstijd en ook elders in het land werden enorme verwoestingen aangericht. Tienduizenden burgers >en soldaten sneuvelden of raakten gewond, meer dan 1Ĺ miljoen burgers vluchtten naar andere landen en een even groot aantal raakte binnenslands op de vlucht.

Vluchtelingen

Na het vredesakkoord van Dayton in november 1995 is de vrede gehandhaafd, mede dankzij een internationale troepenmacht. De wederopbouw van het land komt langzaam op gang, er zijn nu zoín 400.000 vluchtelingen en ontheemden teruggekeerd naar hun oorspronkelijke woonplaatsen. Voor de nabije toekomst zal nog veel hulp nodig zijn om de getroffen bevolking, terugkerende vluchtelingen (er worden er nog zeker 500.000 verwacht) en ontheemden (800.000) die nog niet terug kunnen keren, aan een nieuw bestaan te helpen. De nog niet teruggekeerde vluchtelingen verblijven momenteel voornamelijk in KroatiŽ, de Federale Republiek JoegoslaviŽ en in West Europa.

Historische achtergrond

Er was eens het koninkrijk JoegoslaviŽ. De ServiŽrs behoorden tot de Slavische groeperingen die zich in de 6e en 7e eeuw op het Balkan-schiereiland vestigden. In de loop van de volgende eeuwen ontwikkelden zij een duidelijke identiteit, bekeerden zij zich tot de orthodoxe kerk en bereikte hun macht zijn hoogtepunt in de eerste helft van de 14e eeuw onder het bewind van koning Dusan. Na diens regeerperiode verzwakte het Servische koninkrijk en viel het ten prooi aan de expansiedrift van het Ottomaanse keizerrijk, toen de Servische legers uiteindelijk in de slag van Kosovo op 28 juni 1389 het onderspit dolven.
Deze gebeurtenis werd een belangrijk mythologisch element van de Servische epische dichtkunst, die een voorname rol speelde bij het nationale ontwaken aan het eind van de 18e eeuw en het onafhankelijkheidsstreven in de 19e eeuw. Recentelijk is er wederom gebruik van gemaakt ter rechtvaardiging van nationalistische aanspraken op de regio en etnische zuiveringen.

Het eerste JoegoslaviŽ

Het moderne JoegoslaviŽ is in drie verschillende fasen, doch steeds na oorlogen, tot stand gekomen. De eerste fase was in 1918 na de eerste wereldoorlog. De ineenstorting van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk werd gevolgd door de vorming van het koninkrijk van de ServiŽrs, Kroaten en Slovenen in 1918, dat georganiseerd was als een gecentraliseerde staat onder de Servische Karadjordjevic-dynastie en waarvan de naam in 1928 werd gewijzigd in het koninkrijk JoegoslaviŽ. Het rijk werd gekenmerkt door een voortdurende instabiliteit en met name de Kroaten, die de op ťťn na grootste natie vormden, koesterden wrok vanwege hun politieke ondergeschiktheid aan Belgrado. Op 6 april 1941 bombardeerde de Duitse luchtmacht, zonder een oorlogsverklaring, Belgrado en bezette JoegoslaviŽ, dat vervolgens op 17 april capituleerde. Er werd een koningsgezinde verzetsbeweging gevormd, bekendstaande als de Chetniks, maar gezien de wrede Duitse represailles tegen de Servische burgerbevolking kon zij niet veel doen. De partizanen vormden de belangrijkste Joegoslavische verzetsbeweging, georganiseerd door de Joegoslavische Communistische Partij en geleid door Josip Broz Tito. De beweging bestond aanvankelijk uit Servische boeren, die op de vlucht waren voor de volkerenmoord bedreven door het Kroatische Ustasha-regime, dat door de naziís was aangesteld. Uiteindelijk leidde hun oproep aan alle etnische groepen in JoegoslaviŽ tot de rekrutering van aanzienlijke aantallen moslims en Kroaten.

Het tweede JoegoslaviŽ

In 1943 werd het tweede JoegoslaviŽ gesticht onder de naam Socialistische Federale Republiek JoegoslaviŽ, bestaande uit zes republieken: BosniŽ en Herzegovina (BiH), KroatiŽ, MacedoniŽ, Montenegro, ServiŽ en SloveniŽ. Onmiddellijk na de oorlog werd eerst de eenheid met geweld opgelegd, en daarna werd die door Tito en de communistische partij gehandhaafd, Zo werd er een bedrieglijk evenwicht tussen de verschillende nationale bevolkingsgroepen gecreŽerd. In september 1945 werden er in ServiŽ twee autonome provincies gevormd:
Vojvodina in het noorden en Kosovo-Methoija in het zuiden.
In 1974 werd hun status uitgebreid en in een nieuwe grondwet werd hun positie als federale entiteit binnen JoegoslaviŽ vastgelegd, in plaats van een verwantschap uitsluitend met ServiŽ. In de volgende decennia had de regering van JoegoslaviŽ een welhaast confederaal karakter gekregen, terwijl de communistische ideologie steeds zwakker werd en het nationalisme daarentegen steeds sterker. Tito stierf op 4 mei 1980, nadat hij een collectief presidentschap had samengesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van ieder van de zes republieken en van de tweeautonome provincies, met een om het jaar roulerende Ďpresident van het presidentschapí. Dit systeem leidde tot chronische verlamming en veelvuldige onenigheid, en werd een voedingsbodem voor nationalisme.

Het Memorandum: de ideologische wortels van een oorlog

In 1985 bereidde een groep intellectuelen, die werkte voor de Servische Academie van Wetenschappen, een document voor, het zogenaamde Memorandum, dat bol stond van nationalistische uitspraken en reŽle en oneigenlijke bezwaren, zoals de autonomie van Vojvodina en Kosovo en de discriminatie van ServiŽrs in KroatiŽ. Dit vormde de achtergrond voor de opkomst van Slobodan Milosevic, die in 1986 leider van de Servische afdeling van de communisten en vervolgens president van ServiŽ werd. In 1987 begon ServiŽ zijn greep op Kosovo te verstevigen, wat aanleiding gaf tot Albanees verzet. Op 23 maart jl. verloor Kosovo zijn autonomie.

Roep om onafhankelijkheid

KroatiŽ en SloveniŽ wilden JoegoslaviŽ omvormen tot een losse unie van soevereine staten, terwijl ServiŽ erop uit was de bestaande federatie te versterken. Als gevolg hiervan riepen SloveniŽ en KroatiŽ op 25 juni 1991 eenzijdig hun onafhankelijkheid uit, in oktober gevolgd door BosniŽ en Herzegovina (BiH) en in november door MacedoniŽ. Er brak in 1991 in SloveniŽ een korte en in KroatiŽ een wat langere oorlog uit, doch het langste en bitterste conflict, ook vanuit humanitair oogpunt, brak uit in BiH in 1992 en duurde drie en een half jaar. In december 1991 verklaarde de voorzitter van het presidentiŽle college, Stipe Mesic, dat JoegoslaviŽ opgehouden had te bestaan. In januari 1992 erkende de Europese Gemeenschap de onafhankelijkheid van KroatiŽ en SloveniŽ en in april van BiH, dat vervolgens in een burgeroorlog afgleed.

Het derde JoegoslaviŽ

Het gewelddadige uiteenvallen van de Socialistische Federale Republiek JoegoslaviŽ (SRFJ) werd spoedig gevolgd door het uitroepen op 27 april 1992 van het derde JoegoslaviŽ, onder de naam Federale Republiek JoegoslaviŽ, dat nu uit de twee republieken bestaat: ServiŽ en Montenegro. In mei 1992 legden de Verenigde Naties JoegoslaviŽ als straf voor haar betrokkenheid bij de oorlog in BiH een olie- en handelsembargo op. In november 1995 werd in Dayton, Ohio, door de leiders van BiH, KroatiŽ en JoegoslaviŽ vredesakkoorden bereikt en werden de internationale sancties opgeschort.
Intussen ging de onderdrukking in Kosovo door en vormde de opkomst van het Kosovaars Bevrijdingsleger (UCK) de voorbode van een burgeroorlog. Het escaleren van de gevechten en de daaruit voortvloeiende vluchtelingenstroom leidden tot het instellen van internationale sancties tegen Belgrado en de dreiging van militaire interventie door de NAVO. Hoewel er aan het eind van 1996 en het begin van 1997 dagelijks massademonstraties en algemene protestmanifestaties tegen de regering plaatsvonden, werd Milosevicís binnenlandse positie steeds sterker. In juli 1997 werd Milosevic gekozen tot president van JoegoslaviŽ. Dit verstevigde weliswaar zijn positie op federaal niveau, maar leidde tot een verdere verslechtering van de relaties tussen Belgrado en Podgorica.